HOGER ONDERWIJS VOOR PALESTIJNEN IN ISRAËL: HUN EIGEN VIA DOLOROSA

 

Slechts 11 procent van de Arabische studenten wordt toegelaten tot een Israëlische hogeschool of universiteit. Dit is het harde verdict van een recente studie uitgevoerd door Hirak, het centrum voor de bevordering van het hoger onderwijs in de Arabische samenleving.

De Palestijnse bevolking in Israël, ongeveer 20 procent van de totale bevolking, is een nationale minderheid die geplaagd wordt door nationale discriminatie en systematische uitsluiting van de Israëlische samenleving en economie. OESO rapporteerde in 2011 dat de grootste uitdaging voor de staat Israël was om de economische en sociale kloof tussen Arabieren en joden te verkleinen. Hoger onderwijs speelt een belangrijke rol om op de socio-economische ladder omhoog te klimmen. Het is een middel voor de jonge Palestijnse bevolking om sociaal en economisch te integreren in de Israëlische samenleving waar uitsluiting inherent aanwezig lijkt te zijn. Nu blijkt dat slechts 10 procent van alle studenten die een bachelordiploma behalen van Palestijnse origine zijn.

Deze extreme ondervertegenwoordiging van Arabische participatie in hoger onderwijs komt volgens Hirak door 14 obstakels waar Palestijnse jongeren mee geconfronteerd worden. De belemmeringen zijn zowel academisch, socio-economisch als cultureel-politiek en variëren van financiële moeilijkheden tot ontoereikend openbaar vervoer.

Het rapport creëert een beeld dat een duidelijk gebrek aan gelijke kansen blootlegt maar het geeft ook enkele aanbevelingen om deze situatie te verbeteren.

obstakels

De socio-economische situatie van de Palestijnse families is het eerste obstakel volgens Hirak. De helft van de families en twee derde van de Palestijnse kinderen leeft in armoede. Studerende kinderen zijn een zware economische last voor de families en 29 procent van de Palestijnse studenten moet een lening afsluiten om hun studies te kunnen betalen. Bij joodse studenten is dat 10 procent minder omdat zij kunnen rekenen op militaire rekeningen en spaargeld. Het ligt dan ook voor de hand dat veel Palestijnse jongeren uit economische redenen school vroegtijdig verlaten.

Het tweede obstakels is het Arabische schoolnetwerk. Slechts 23 procent van de afgestudeerden voldoet aan de minimumvoorwaarden voor toelating tot hoger onderwijs (tegenover 47 procent bij joden). Het Arabische systeem ontvangt een veel kleiner budget dan het joodse systeem. In 2004 ontvingen joodse scholen ongeveer 4935 New Israeli Sheqel (NIS) (1029 euro) per student vergeleken met 863 NIS (180 euro) per Arabische student. Daarnaast voert het Israëlische Ministerie van Onderwijs een pedagogisch beleid die “zionistische” waarden oplegt aan Arabische studenten en de Arabische nationale en culturele identiteit weigert te erkennen. Het onderwijs lijdt ook onder de historische ontoegankelijkheid van de Arabische samenleving tot hoger onderwijs en een tekort aan personeel. Dit alles resulteert erin dat slechts één op vier Palestijnen toegelaten wordt voor verdere studies tegen één op twee joodse studenten.

Ten derde is de toegang tot pre-academische vooropleidingen een probleem. Slechts 6,4 procent van de Palestijnen volgt deze lessen. Het curriculum is niet aangepast aan de Arabische studenten en de programma’s hebben een negatief imago en worden gegeven op locaties ver weg van de Arabische dorpen, daarnaast zijn de programma’s ook te duur. De ‘Higher Education Council’ (HEC) biedt financiële steun maar enkel voor studenten die hun militaire dienstplicht vervuld hebben. De Nazareth Academic Institution heeft al meermaals geprobeerd een pre-academisch programma te ontwikkelen in de stad maar dit werd telkens door HEC afgewezen.

Ten vierde is er het psychometrisch examen, waarop Palestijnse studenten gemiddeld 123 punten minder scoren dan hun joodse tegenhangers. De resultaten van deze testen bepalen in hoge mate de toelating tot het hoger onderwijs.

Een vijfde belangrijk punt is de leeftijdsgrens. Sommige Israëlische universiteiten leggen een minimumleeftijd op om te starten aan een opleiding. Dit weerhoudt duizenden jonge Palestijnen ervan om na hun middelbare studies direct een hogere studie aan te vangen. Hirak beschouwt deze regel als discriminerend omdat het enkel rekening houdt met de Israëlische studenten die hun academische loopbaan pas starten na hun militaire dienst.

Ten zesde wordt het ingangsexamen enkel in het Hebreeuws gevoerd waardoor Palestijnse studenten geconfronteerd worden met culturele barrières.

Obstakel zeven is de discriminatie bij het verkrijgen van een studiebeurs: de meeste beurzen geven extra punten voor legerdienst of residentie in een ‘nationale prioritaire regio’. Weinig Palestijnse steden behoren tot deze prioritaire regio’s.

Punt acht is de toegang tot huisvesting. Hier wordt vaak rekening gehouden met het vervullen van de militaire dienstplicht. Daarnaast is er een duidelijke toename van racisme in de Israëlische samenleving tegenover Arabische studenten waarbij Palestijnen gedwongen worden om buitensporige huurgelden te betalen. Racisme wordt dus een economische speler.

Ten negende is het openbaar vervoer naar Palestijnse steden ontoereikend. Een student die op 50 kilometer van de universiteit woont, moet minimum twee uur voor aanvang van de les thuis vertrekken om op tijd te zijn en twee tot zelfs drie keer van bus overstappen. Dit kost bovendien vele honderden sjekel per maand.

Als tiende belemmering wordt het gebrek aan professionele en academische begeleiding en hulp aangegeven. Er is vaak geen specifieke begeleiding voor Arabische studenten waardoor Palestijnen moeite hebben om elementaire academische vaardigheden te verwerven. Hierdoor studeert slechts 12 procent van de Palestijnen binnen de voorziene tijd af.

Ten elfde worden Palestijnse studenten soms bestraft voor politieke activiteiten. Hoe hoger het percentage ingeschreven Palestijnse studenten, hoe strikter de beperkingen op vrije meningsuiting.

Taal, religie en cultuur zijn een twaalfde belemmering: ondanks dat Arabisch een officieel erkende taal is in Israël zijn alle cursussen in het Hebreeuws en zijn Arabische opschriften nauwelijks te zien op de campussen. Daarnaast worden enkel de joodse feestdagen erkend en worden vaak belangrijke evenementen georganiseerd op Arabische en christelijke feestdagen. Palestijnse studenten worden geconfronteerd met een grote culturele deprivatie en cultuurschok wanneer ze hun eigen habitat verlaten en gaan studeren aan een Israëlische universiteit.

Ten dertiende is de toegang tot een masterdiploma of een doctoraat nog moeilijker voor Palestijnen. Er worden dubbel zoveel Palestijnen geweigerd voor een masteropleiding dan joodse studenten en er is een tekort aan onderzoeksbeurzen voor Arabische onderzoekers.

Tenslotte is er de arbeidsmarkt: Palestijnse mannen met een academische opleiding verdienen gemiddeld 3500 NIS (730 euro) minder dan hun joodse tegenhangers. Hoe hoger de graad van opleiding, hoe groter het loonverschil tussen joden en niet-joden. De werkloosheid onder de Palestijnse afgestudeerden is ook groot met een schrijnend werkloosheidscijfer van 75 procent voor de vrouwelijke Palestijnse academici waarvan de helft werkt in een functie die lager is dan hun behaalde graad (bij de joodse academici is dit één op drie).

Hirak stelt 10 aanbevelingen voor om de situatie te verbeteren, waaronder subsidies voor arme studenten, meer investeringen in het Arabische onderwijssysteem, voorbereidingsklassen openen in Arabische steden, academische ondersteuning bieden aan Palestijnen, de minimumleeftijd afschaffen, een alternatief toelatingsprogramma opzetten dat niet langer afhankelijk is van het psychometrisch examen, speciale toegang voorzien voor Palestijnse studenten tot accommodatie en openbaar vervoer, discriminatie tegengaan en meer Arabisch introduceren op de campussen.

Share

© Palestina Solidariteit vzw 2016