Pogingen om christenen te mobiliseren in het Israëlische leger Het geval van de christelijke Arabische burgers van Israël

Vergadering van de Katholieke Ordinarii in het Heilige Land 

Commissie rechtvaardigheid en vrede

 

Pogingen om christenen te mobiliseren in het Israëlische leger

Het geval van de christelijke Arabische burgers van Israël

 

Inleiding

 

Volgens de Israëlische wet komen alle permanente inwoners van Israël, mannelijke en vrouwelijke, in aanmerking om te worden opgeroepen om te dienen in het Israëlische leger. In feite werden na 1948 twee populaties niet gemobiliseerd of ingelijfd, namelijk ultra-orthodoxe joden en Arabieren.

Ultra-orthodoxe joden werden niet gemobiliseerd vanwege afspraken tussen de rabbinale leiders van de gemeenschap. Zij verzetten zich tegen de oproeping van hun jonge mensen omdat zij dan zouden worden blootgesteld aan de moderne, niet-religieuze samenleving en omdat ze geen leven van Thorah-studie zouden leiden. In de praktijk werden jonge mannen, ingeschreven in de Thorah-studie, niet ingelijfd. Deze situatie werd geformaliseerd in de wet Tal in 2002.

Arabieren werden niet ingelijfd omdat ze werden geïdentificeerd met "de vijand" en als waarschijnlijk niet loyaal werden aanzien.

 

Recente besprekingen over het inlijven van ultra-orthodoxen en Arabieren zijn het gevolg van enerzijds de uitspraak (2012) die bepaalde dat de wet Tal niet in overeenstemming was met de fundamentele wetten en anderzijds de daaruit voortvloeiende volksbeweging onder Israëlische burgers die ervoor opkomt dat iedereen in het leger zou dienen.

 

In 1956 bereikten de Israëli een akkoord met het religieus leiderschap van de druzen. Jonge niet-religieuze druzen (de juhhal, die onwetend zijn van religieus onderwijs) zouden worden ingelijfd, terwijl de religieuze jeugd (de uqqal, die geïnitieerd zijn in het religieuze onderwijs) vrijgesteld werd, net zoals de ultra-orthodoxe jongeren. In ruil daarvoor erkenden de Israëlische autoriteiten het religieus leiderschap van de druzen als volledig onafhankelijk van het moslim-leiderschap en stelden ze een afzonderlijk religieus gerechtelijk systeem in. Beloetsji moslims werden ingelijfd in 1958. Verschillende bedoeïenenstammen van Galilea en van de Naqab (Negev) stemden ook in met de mobilisatie van hun jonge mannen, hoewel er geen algemene dienstplicht voor bedoeïenen bestaat.

 

Reeds in de jaren 1950 kwamen sommige Israëlische ambtenaren op voor de mobilisatie van alle Arabieren. Anderen focusten op de christelijke Arabieren. Inlijvingsorders werden in feite overhandigd aan de jonge christenen in Jish (een dorp met een grote populatie van maronitische christenen). De inlijvingsorders werden niet opgevolgd, waarschijnlijk omdat de Arabische christenen nog steeds als een bedreiging van de veiligheid gezien werden, vermits ze deel uitmaken van de Arabische bevolking in het algemeen en een hoog niveau van educatie genieten.

 

Waarom wil Israël vandaag de christenen mobiliseren?

 

Israël heeft, in een tijdperk van technologische oorlogvoering, geen nood aan meer soldaten, maar het leger wordt gezien als een instelling die de sociale cohesie bevordert, een zeer belangrijke ‘melting pot’ in de Israëlische realiteit van diversiteit. Het leger wordt gezien als een belangrijke plaats voor het vormen van het "nationale (Israëlisch-zionistische)" bewustzijn en het deelnemen aan het project van opbouw van de natie zoals bedacht door de autoriteiten, namelijk Israël promoten als een joodse nationale staat. Legerdienst wordt gezien als een instrument om de Israëlisatie van de Arabische minderheid te bevorderen. Identificatie met Israël, in de plaats van met de Palestijnse Arabische gemeenschap, is duidelijk een belangrijk doel.

 

De mobilisatie van de minderheden is ongetwijfeld ook ingegeven door de wil om de Arabische minderheid te "verdelen en overheersen" . Door het inlijven van sommige segmenten van de bevolking, slagen de autoriteiten erin de maatschappij te verdelen. Dit was duidelijk het geval met de mobilisatie van de druzen, bedoeïenen en beloetsji minderheden die door de overheidsadministratie gekwalificeerd werden als "niet-Arabisch". Praten over het inlijven van de christelijke Arabieren in plaats van de Arabieren in het algemeen (moslims en christenen) is duidelijk een poging om een wig te drijven tussen de christelijke en islamitische Arabieren in Israël.

 

Waarom dienen sommige christenen in het Israëlische leger?

 

Niet-Arabische christenen worden regelmatig ingelijfd in het leger. Sinds 1996, wanneer meer en meer niet-Arabische Russisch sprekende christenen werden ingelijfd, mochten christelijke soldaten zelfs de eed van trouw afleggen op een exemplaar van het Nieuwe Testament. Christelijke soldaten kunnen om verlof vragen voor christelijke feestdagen. Het is een feit dat het rabbinaat binnen het leger zware druk uitoefent op de niet-joodse soldaten (in het bijzonder op hen die geïntegreerd zijn in de Hebreeuws sprekende, joodse bevolking) om zich tot het jodendom te bekeren en er worden uitgebreide conversiecursussen aangeboden.

 

Sommige christelijke Arabieren doen vrijwillig dienst in het leger, net als sommige islamitische Arabieren. Hun motivaties zijn meestal ofwel economisch (het leger biedt goed betaald werk aan professionele soldaten) of professioneel (de overtuiging dat onderwijs, beroeps- en andere sociale kansen, anders ‘off limits’ voor Arabieren, zich voor hen zullen openstellen na hun legerdienst). Sommigen die in het leger dienen, geloven ook, dat als Arabieren deze taak vervullen, zij dezelfde rechten als de joodse bevolking zullen krijgen. Dit zal worden versterkt indien het parlement de voorgestelde wetgeving goedkeurt, die bepaalde voorrechten toekent aan degenen die in het leger dienen (met name werkgelegenheid in de bureaucratie van de staat).

 

Het is belangrijk op te merken, dat het streven naar vrijwillige dienst in het leger onder christelijke Arabieren versterkt is na confessionele spanning (christenen - druzen of christenen - moslims). Dit blijkt uit het relatief hogere aantal christenen dat wordt ingelijfd in bepaalde gebieden, zoals Kafr Yassif (grenzend aan het druzendorp Julis, waar de bewoners druzen zijn die dienen in het leger) of in Maghar (waar spanningen binnen het dorp tussen druzen en christenen in de afgelopen jaren in geweld zijn ontaard).

 

Wat moet het standpunt van de Kerk zijn?

 

De Kerk leert duidelijk dat christenen goede burgers moeten zijn die actief aan de samenleving participeren om het gemeenschappelijk welzijn te bevorderen. De Kerk wil sensibiliseren inzake rechtvaardigheid, verzoening, liefde voor vijanden en geweldloosheid, alsook betreffende ethische problemen van oorlog.

 

In verband met de sensibilisatie inzake kwesties van rechtvaardigheid, moet de Kerk erop wijzen dat het Israëlische leger wordt gebruikt als een instrument om de belangen van slechts één deel van de bevolking, de joden, te bevorderen, ten koste van de Palestijnen. Het leger wordt gebruikt als een middel om de bezetting van Palestijnse grond op te dringen en in stand te houden, en dus om de Palestijnen te beletten hun waardigheid en onafhankelijkheid te verwezenlijken. Het leger is voornamelijk een leger van agressie in plaats van een verdedigingsleger, wat duidelijk blijkt uit het controleren van de Palestijnse gebieden en de verdediging van de kolonisten.

 

Bovendien, bij de sensibilisatie voor de rechten op gelijkheid, kan de Kerk erop wijzen dat Israël zijn Arabische burgers discrimineert. De situatie van de druzen en de bedoeïenen illustreert dat legerdienst geen gelijkheid brengt. De druzen en vele bedoeïenen hebben decennialang in het Israëlische leger gediend en toch zijn hun dorpen nog steeds uitermate onderontwikkeld in vergelijking met naburige joodse gebieden. Doordat de druzen beter opgeleid werden, groeide hun verzet tegen inlijving en sinds 1972 zet het Druzen Initiatieven Comité zich actief in om de weigering om in het leger te dienen te promoten. Zij staan druzenjongeren bij die gevangen zitten omwille van deze weigering.

 

De Kerk bevordert goed nabuurschap binnen de Arabische minderheid, onder christenen, moslims, druzen en alle anderen. De legerdienst gebruiken om verdeeldheid te brengen in de Arabische bevolking is schadelijk voor de belangen van de Arabieren als gemeenschap. De promotie van legerdienst onder de minder opgeleiden en meer verarmden moet worden tegengegaan door beter onderwijs en betere sociale omstandigheden te voorzien en door meer samenhang binnen de Arabische minderheid in Israël en een gezamenlijke strijd voor gelijkheid in de staat Israël te bevorderen.

 

De Kerk is er zich anderzijds ook van bewust dat vele Arabische jongeren in Israël hun nationale, culturele en religieuze identiteit stilaan verliezen en zichzelf niet langer met Arabieren vereenzelvigen. Op sommige plaatsen, zoals in de gemengde steden (Jaffa, Ramleh, Haifa, Lydda, enz.), doen veel jonge christelijke Arabieren hun best om zich te assimileren met de joodse meerderheid en zich ermee te vereenzelvigen. De Kerk ziet het als haar taak jonge mensen op te voeden om zichzelf te aanvaarden zoals ze zijn, door hun een evenwichtige menselijke, nationale en christelijke opvoeding te geven en een besef van hun geschiedenis, hun geworteldheid in het land en een gevoel van identiteit dat de verschillende elementen (Arabische Palestijn, christenen en burger van Israël) integreert, veeleer dan om één van deze elementen te onderdrukken. De bisschoppen en priesters moeten de gelovigen helpen met deze "identiteitscrisis".

 

Wat met voorstellen met betrekking tot civiele in plaats van militaire dienst?

 

Omwille van de begrijpelijke terughoudendheid van sommige Arabieren om de wapens op te nemen tegen hun broeders en zusters, stellen de Israëlische autoriteiten een soort civiele dienst voor Arabische inwoners voor.

Het moet duidelijk zijn dat:

-        civiele dienst in de voorgestelde vorm een equivalent is van militaire dienst en daarom even problematisch omwille van de hiervoor uitgewerkte argumenten;

-        de militaire autoriteiten die voorstellen om civiele dienst te verrichten, dezelfde doelen hebben: de status-quo legitimeren en een "nationaal" bewustzijn bevorderen dat tegen de aspiraties van de Palestijnse Arabische bevolking ingaat;

-        ondanks het aannemelijk klinken van de voorgestelde vormen van civiele dienst, het onderliggende principe blijft, namelijk de verdediging en de legitimatie van de zogenaamde "Joodse" staat.

 

De leden van de Commissie voor Rechtvaardigheid en Vrede van de Vergadering van de Katholieke Ordinarii in het Heilige Land vragen dat de katholieke ordinarii de vele kwesties waarmee de gelovigen dagelijks geconfronteerd worden, met inbegrip van de complexe sociaal-politieke kwesties in de staat Israël, onder de aandacht brengen.

© Palestina Solidariteit vzw 2016